Nieuwe natuur met inheemse bomen en struiken
Bomen vormen een mooi en kostbaar deel van onze natuurlijke erfenis. Landschappen zonder bomen zouden een desolate indruk op ons maken. Niet alleen door het verlies aan schoonheid: voor veel van onze in het wild levende planten en dieren betekenen bomen en bossen de basis van hun bestaan. Ook de mens kan niet zonder.
Nederland kent meer dan 100 soorten inheemse bomen en struiken. Het grootste deel van deze soorten is zeldzaam geworden, of zelfs bijna helemaal verdwenen, door de ongebreidelde kap in het verleden en de grote druk die op de groeiplaatsen wordt uitgeoefend. Herbebossingsprojecten in deze eeuw hebben weliswaar geleid tot een toename van de bosoppervlakte in Nederland, maar de aangeplante soorten zijn over het algemeen uitheems of komen van ver.
De bedreiging van het voortbestaan van inheemse bomen en struiken was in 1992 de aanleiding tot de oprichting van Bronnen, centrum voor de verspreiding van inheemse houtige gewassen.
Bronnen levert gecertificeerd autochtoon plantmateriaal dat wordt gebruikt voor herstel en ontwikkeling van natuur en landschap. Er bestaat al jaren lang een nauw samenwerkingsverband met twee biologen die het zaad en stek oogsten en met een aantal professionele boomkwekers die het geoogste zaad en stek -deels biologisch- voor Bronnen opkweken tot bos- en haagplantsoen en laanbomen. Door grootschalige teelt van ruim 60 soorten levert Bronnen een belangrijke bijdrage aan de instandhouding en versterking van de bedreigde houtige soorten.
Op de reguliere markt worden oorspronkelijke inheemse bomen en struiken nauwelijks aangeboden. De groeiende vraag naar inheemse houtige gewassen wordt gestimuleerd door het overheidsbeleid rond natuurherstel en de inrichting van nieuwe natuur. Dit beleid is onder meer vastgelegd in het 'Structuurschema Groene Ruimte' en de Nota 'Bronnen van ons bestaan'. Als uitvloeisel van het natuurbeleid worden op tal van plaatsen in Nederland plannen voor nieuwe natuur gesmeed en uitgevoerd. De toepassing van oorspronkelijk inheemse bomen en struiken staat steeds meer centraal bij de aanleg van nieuwe bossen. Bronnen heeft hieraan de afgelopen jaren wezenlijk bijgedragen.
De komende decennia worden in Nederland miljoenen bomen en struiken aangeplant door landinrichtingsdiensten, gemeenten, waterschappen en particuliere natuurbeschermingsorganisaties. Het is van groot belang dat bomen en struiken die worden aangeplant in terreinen met een natuurdoelstelling van een betrouwbare inheemse herkomst zijn. Want op deze manier wordt niet alleen concreet bijgedragen aan biodiversiteit, verrijking van natuur en landschap, maar wordt ook floravervalsing tegengegaan.
DOELSTELLING
Bronnen fungeert als centrum voor verspreiding van oorspronkelijk inheemse houtige gewassen.
Deze doelstelling wil zij realiseren door uitvoering van de volgende activiteiten:
1. Oogst en teelt
2. Natuurontwikkeling en herstel
3. Educatie en voorlichting
Oogst en teelt
Over betrouwbare groeiplaatsen van inheemse houtige gewassen bestond nauwelijks gesystematiseerde kennis. Deze kennis is nodig om zaad en stek van betrouwbare autochtone herkomsten op diverse lokaties te kunnen oogsten, zeker in het geval van zeldzaam geworden soorten.
In 1991 is de Directie Natuurbeheer van het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gestart met het project "Genetische kwaliteit inheemse bomen en struiken". In het kader van dit project zijn groeiplaatsen van inheemse bomen en struiken in kaart gebracht. Inmiddels zijn in een groot deel van Nederland (deel)inventarisaties uitgevoerd, waaronder Twente, de Achterhoek, delen van Gelderland, Limburg, Drenthe, het duingebied, Zeeland, Zuid-Holland en delen van Noord-Holland, Utrecht en Noord-Brabant. In nauwe samenwerking met Ecologisch Adviesbureau Maes uit Utrecht zijn inventarisaties uitgevoerd in opdracht van onder meer het Ministerie van LNV, de Landinrichtingsdienst, een aantal provinciale overheden en Natuurmonumenten.
Omdat soorten zich niet aan landsgrenzen storen, werd vanaf 1996 door Bureau Maes en Bronnen o.a. onderzoek gedaan in de Voerstreek, de Vlaamse Ardennen, Belgisch Limburg, een groot deel van Nordrhein-Westfalen en delen van Vlaanderen.
Door het in kaart brengen van waardevolle groeiplaatsen kunnen deze beter worden beschermd.
De informatie over betrouwbare herkomstplaatsen van inheemse bomen en struiken vormt de basis voor het oogstprogramma.
Sinds 1992 oogst Bronnen vooral zaden, naast zomer- en winterstek: van Drenthe tot de Ardennen en van de duinen en polders van Holland tot de middenloop van de Rijn. Vanaf 1994 worden jaarlijks miljoenen zaden geoogst, afkomstig van ruim 60 soorten. Het oogsten vereist een grote terrein- en soortenkennis. De oogstactiviteiten worden al jarenlang uitgevoerd in een vast samenwerkingsverband met zeer ervaren biologen (Ecologisch Adviesbureau van Loon en Ecologisch Adviesbureau Vanhemelrijk). Om de continuïteit van levering te waarborgen, is het aantal betrouwbare oogstplaatsen in de loop der jaren op basis van onderzoeksgegevens sterk uitgebreid. Het opkweken van het geoogste zaad en stek tot bos- en haagplantsoen en laanbomen wordt uitbesteed aan betrouwbare professionele kwekers. Zie verder onder teelt.
Natuurontwikkeling en herstel
Het rijksbeleid voor natuurontwikkeling en voor het behoud, het herstel
en de ontwikkeling van zeldzame soorten wordt geformuleerd in een aantal regeringsprogramma's Met name in het kader van het Natuurbeleidsplan, het Meerjarenplan Bosbouw en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, inmiddels geïntegreerd in het Structuurschema Groene Ruimte, wordt voorzien in de aanleg van grote oppervlakten bos. Hierbij is nog weinig visie ontwikkeld over de mogelijkheden van toepassing van plantmateriaal van oorspronkelijk inheemse herkomst.
Bij natuurontwikkelingsprojekten denkt men nog vaak aan het zijn gang laten gaan van de natuur. Spontane ontwikkelingsprocessen, zoals bosverjonging, hebben bij dergelijke projecten de voorkeur. In situaties waar echter geen genenbronnen van gewenste soorten aanwezig zijn moeten soorten opnieuw worden geïntroduceerd. Vrijwel alle bossen in West-Europa zijn door de mens aangelegd, meestal ten behoeve van de houtproductie. Dit betekent dat alleen die soorten zijn aangeplant die economische waarden vertegenwoordigen. Bovendien gaat het dan om bossen die in allerlei opzichten niet meer lijken op de natuurlijke bossen zoals die hier eens voorkwamen. Ze missen een natuurlijke leeftijdsopbouw en variatie in structuur, ze zijn vooral wat betreft de boom- en struiklaag zeer arm aan soorten en ze missen natuurlijke grazers, als herten, runderen, paarden of elanden die voor een belangrijk deel structuur- en soortsbepalend zijn. Daarbij is de laatste jaren steeds meer het belang van bosranden met zoom- en mantelvegetatie in beeld gekomen als wezenlijk leefmilieu voor velerlei planten- en diersoorten. Gevarieerde bosranden, die tevens voor mensen een grote belevingswaarde hebben, ontbreken nog vaak in ons landschap.
De toepassing van plantmateriaal van oorspronkelijk inheemse of autochtone herkomst behoeft een specifieke aanpak. Daartoe behoren ook de herintroductie van boom- en struiksoorten in natuurontwikkelingsprojecten, de keuze van het sortiment in relatie tot bodem, waterhuishouding en de gewenste vegetatie.
Educatie en voorlichting
Bronnen heeft tot dusver veel energie gestoken in het geven van voorlichting en advies over bescherming, herintroductie en toepassingsmogelijkheden van oorspronkelijk inheems plantmateriaal. Want ondanks geformuleerd overheidsbeleid en publicaties bestaat nog steeds veel onbekendheid met de problematiek van inheemse, houtige gewassen.
Hoewel de afgelopen jaren veel kennis uit onderzoek is verkregen, blijkt deze nauwelijks of niet door te stromen naar het publiek dat in principe geïnteresseerd is. Ook wordt op de bestaande opleidingen vrijwel geen aandacht besteed aan de toepassingen van oorspronkelijk inheemse, houtige gewassen en de waarde hiervan. Verder moet worden geconstateerd dat binnen professionele organisaties veel "groenkennis" is verdwenen en uit contacten met initiatiefnemers voor grootschalige natuurontwikkelingsprojecten blijkt een grote behoefte aan informatie over de toepassingsmogelijkheden van autochtoon plantmateriaal.